Ik wil alles weten

Vorm en materie

Pin
Send
Share
Send


De voorwaarden het formulier en er toe doen een elementaire dualiteit in het hele bestaan ​​beschrijven, tussen de essentie of 'wat' van een ding (vorm) en de dingen waaruit het ding bestaat (materie). Dat een dergelijke dualiteit bestaat, wordt algemeen aangenomen, maar de definities van vorm en materie zijn in de hele geschiedenis van de filosofie verschillend geweest; vandaar dat een precieze definitie van elk verschilt afhankelijk van het specifieke filosofische systeem.

Over het algemeen zijn de termen vorm en materie echter afgeleid van de klassieke filosofie, vooral van Plato en Aristoteles. In Plato komt de vorm van het Griekse woord eidos en wordt vaak vertaald als idee of essentie en verwijst naar het fundamentele 'wat' van een ding. Aristoteles koppelt ook vorm aan essentie, maar maakt onderscheid tussen vorm en materie, waarbij vorm verwijst naar de essentiële bepaling of organische structuur van een ding, terwijl materie is waar het ding van is gemaakt. De scholastici namen het gebruik van vorm en materie op terwijl ze bepaalde ontwikkelingen doorvoerden.

De moderne filosofie heeft het klassieke Aristotelische concept grotendeels verworpen. Empirisme heeft de behoefte aan deze klassieke benadering niet gevoeld. In de filosofie van Kant verschuiven vorm en materie naar het rijk van epistemologie en cognitie; de vorm van dingen wordt meer bepaald door onze rede of ons begrip dat de materie vormt die door onze zintuigen wordt gegeven. Het klassieke Aristotelisch-Scholastische concept is in de loop van de negentiende eeuw verder afgenomen vanwege wetenschap, materialisme en humanisme. Maar de opkomst van nieuwe scholen zoals vitalisme, panpsychisme, objectief idealisme en neo-Thomisme toont de algemene herwaardering ervan op nieuwe manieren, vooral in de twintigste eeuw.

Plato

In Plato is vorm vaak vertaald als idee (Eidos), wat de basis is voor Plato's beroemde 'Theory of Forms'. Kortom, voor Plato is de vorm of het idee de permanente realiteit die iets maakt wat het is. Het staat in contrast met de bijzonderheden van die vorm die eindig zijn en dus aan verandering onderhevig zijn. Hoewel het Aristoteles was die voor het eerst expliciet het onderscheid tussen vorm en materie maakte, kan het nuttig zijn om het onderscheid hier te maken, want het is impliciet in Plato's Theory of Forms. Voor Plato is elk specifiek materieel ding, zoals een echte hond, aan verandering onderhevig; want de specifieke hond kan sterven en wanneer hij dat doet, is hij niet langer 'een hond' - het is slechts dode materie. Het idee van hond (Dogness) verandert echter niet. Het is eeuwig. Voor Plato heeft het idee of de vorm dus een hogere (schijnbaar ontologische) status. De bijzonderheden of alle werkelijke honden nemen dus alleen deel aan de ene onveranderlijke en eeuwige vorm.

Hoewel deze theorie moeilijk te begrijpen is, is het vaak nuttig om erover na te denken in verband met wiskunde, waaraan Plato zelf vaak de theorie koppelde. Men kan denken aan een perfecte driehoek, waarvan de exacte definitie een driezijdige figuur is waarvan de hoeken oplopen tot precies 180 graden. Alle bijzondere driehoeken die op papier zijn getekend of uit een soort materiaal zijn vervaardigd, zullen altijd perfect zijn. Want de meest nauwkeurige instrumenten zullen onthullen dat de lijnen of hoeken niet helemaal exact zijn, zelfs al is het maar met de minste foutmarge. Om deze reden zijn de specifieke, materiële "driehoeken" geen "echte" driehoeken; want ze voldoen strikt genomen niet aan de definitie van een driehoek. De enige echte driehoek is dan de perfecte of ideale driehoek die iemand in zijn hoofd kent. Plato gebruikte dit zelfde theoretische model om alle bijzondere dingen (bomen, katten, mensen), die vergankelijk zijn, en hun ideeën of vormen, die onvergankelijk zijn, te contrasteren. Of Plato deze vormen heeft begrepen als bestaande naast alle specifieke voorbeelden (in een of ander hoger gebied), of als gewoon de begrijpelijke aard van onveranderlijke fysieke wetten, is een controverse waarover wetenschappers vandaag nog steeds over debatteren.

Aristoteles

Zoals reeds vermeld, werd het onderscheid tussen vorm en materie eerst expliciet met Aristoteles. Voor Aristoteles zijn vorm en materie de co-principes waaruit alle reële of feitelijke dingen (stoffen) zijn samengesteld. Aristoteles bekritiseerde Plato's Theory of Forms voor het plaatsen van dit hogere rijk waar de eeuwige ideeën zouden moeten bestaan. Aristoteles daarentegen beweerde dat de vormen (die hij vaak gelijkstelde met essenties) in echte dingen bestaan. De menselijke geest is uitgerust met de rationele kracht om deze essenties uit echte dingen te abstraheren om ze te kennen (als universeel). Voor Aristoteles is vorm dus de bepalende structuur (Morphe) die dingen hun essentiële kenmerken of attributen geeft. Materie daarentegen is het ultieme substraat of "spul" (Hyle) waaruit alle (fysieke) dingen worden gemaakt. Hieruit ontwikkelde Aristoteles zijn theorie van hylomorfisme die alle feitelijke dingen of stoffen verklaart in termen van de principes van vorm en materie.

In de metafysica van Aristoteles is het echter vorm en geen materie die prioriteit geniet. Want hoewel materie het ongedifferentieerde oerelement is waaruit alle dingen zijn gemaakt, is het zelf geen 'ding'. Want om iets te zijn, zou het een vorm moeten hebben. Materie zonder vorm kan dus niet bestaan. Of, om het in meer Aristotelische taal te zeggen, materie is pure potentie, in plaats van actualiteit. Pure of 'prime' materie is het potentieel waaruit dingen zich ontwikkelen of voortkomen zonder zelf iets te zijn. De ontwikkeling van bepaalde dingen uit deze levende materie bestaat uit differentiatie, dat wil zeggen, het verwerven van bepaalde vormen of naturen die het gehele verstaanbare universum vormen. Op deze manier ontwikkelde Aristoteles zijn theorie van causaliteit in termen van formele causaliteit en materiële causaliteit. Beide dragen bij aan het ontstaan ​​van de concrete bijzonderheden van specifieke soorten. Nogmaals, materie is het materiaal waaruit dingen worden gemaakt, terwijl vorm dat is wat hen hun definitieve vorm en structuur geeft en de verschillende vermogens en functies ervan bepaalt. Aristoteles gebruikt het voorbeeld van de geboorte van dieren of mensen waarbij de menstruatievloeistof van het vrouwtje het materiaal levert, terwijl het zaad van het mannetje de vorm geeft. Samen vormen ze een nieuw wezen van de specifieke soort. Aristoteles is in staat om de eeuwige aard van deze vormen (de essenties van soorten) te verklaren zonder in een platonisch idealisme te vervallen omdat hij de oude kosmologie volgde door het universum als eeuwig te beschouwen. Daarom zijn er altijd bomen, vogels en mensen geweest. Bovendien is de perfectie van de vorm van een ding zijn entelechie op grond waarvan het zijn volledig realisatie van functie bereikt. De entelechie van het lichaam is dan de ziel die de bepalende structuur verschaft en zo het potentieel (materie) actualiseert (vormt). Uiteindelijk is de prioriteit van vorm, evenals de oorsprong van het differentiatieproces, te vinden in de prime mover (of de 'onbeweeglijke beweger'). De krachtbron is de pure vorm, volledig gescheiden van alle materie, en het is eeuwig en onveranderlijk. Het is zijn eigen activiteit en zo is zowel de efficiënte (of bewegende) oorzaak die alle dingen beweegt, evenals de uiteindelijke oorzaak (Telos) waarop alle dingen zijn gericht.

Scholastiek

Het Aristotelische concept van vorm en materie werd overgenomen door de Scholastics. De beroemdste toe-eigening en verdere ontwikkeling van Aristoteles 'fundamentele metafysische categorieën werd gemaakt door St. Thomas Aquinas (1225-1274). Aquinas stelde dat het materie was die het principe van individuatie voorzag. Dat wil zeggen, wat de ene hond van de andere onderscheidde, was zijn zaak in plaats van zijn vorm. Aldus onderscheidt een individuele hond zich door alle toevallige kenmerken die kunnen worden toegeschreven aan zijn materiële samenstelling (zijn kleur, grootte, enz.) In tegenstelling tot zijn essentiële kenmerken die voortvloeien uit zijn vorm (zijn vermogen tot sensatie, beweging, reproductie, etc.). Bovendien onderscheidde Aquinas de materiële wereld, die wordt bewoond door inherente vormen die alleen bestaan ​​in combinatie met materie (de belichaamde wezens van deze wereld), uit de spirituele wereld, waarin wordt bewoond bestaande vormen (formae separatae) die immaterieel zijn en zo gescheiden van materie (spirituele wezens of engelen). In tegenstelling tot Aristoteles, beweerden Aquinas echter dat hoewel deze spirituele wezens immaterieel zijn, ze toch potentieel bezitten. Want hoewel alle materie potentieel bezit, omvat niet alle potentieel materie. Omdat engelen echter niet materieel zijn, en materie het principe van individuatie is, moet elk immaterieel wezen zijn eigen vorm of essentie zijn; met andere woorden, er zijn zoveel soorten als er immateriële wezens zijn. St. Bonaventure (1221-1274), een tijdgenoot van Aquinas, wilde daarentegen pleiten voor de individualiteit van elk spiritueel wezen in de spirituele wereld; dus geloofde hij dat elk spiritueel wezen een samengestelde vorm en een soort 'spiritueel lichaam' is.

Moderne filosofie

Francis Bacon (1561-1626) was een van de eerste filosofische beoefenaars van de moderne wetenschappelijke methode die een Aristotelische en Scholastische benadering van filosofie verwierp. Bacon bepleitte daarentegen dat al het echte onderzoek zich moet beperken tot een empirische inductiemethode waarmee men naar de ware vorm van fysieke dingen zoals licht, warmte, enzovoort zoekt, door de externe vorm te analyseren die in perceptie wordt gegeven. Op deze manier kan men de onderliggende structuur van fenomenen ontdekken door ze in eenvoudigere vormen te breken en hun verschillen te onderscheiden. Bacon verzamelde bijvoorbeeld alle mogelijke voorbeelden van hete dingen om te ontdekken wat er allemaal in aanwezig is. Door de toevallige eigenschappen van elk uit te sluiten, kon hij de vorm of essentie van warmte bepalen door het residu dat achterbleef en dat was dus gebruikelijk in alle gevallen. Een dergelijke methode heeft noodzakelijkerwijs een open einde, omdat een toekomstige instantie, positief of negatief, de gegevens kan beïnvloeden en dus de vastgestelde vorm van het specifieke fenomeen dat wordt onderzocht, kan wijzigen. Andere moderne empiristen, zoals Thomas Hobbes (1588-1679) en John Locke (1632-1704), daagden ook hylomorfisme uit. Onnodig te zeggen dat het dualisme van ziel en lichaam van Rene Descartes (1596-1650), een rationalist, ook een rol speelde bij het verslaan van de onderlinge afhankelijkheid van vorm en materie.

De verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) bracht de notie van vorm en materie radicaal over via zijn transcendentale methode, waarmee hij de voorwaarden voor de mogelijkheid van ervaring analyseerde. Bij het beschouwen van deze voorwaarden voor ervaring schreef hij pure vorm toe aan wat de geest of de rede (a priori) brengt aan het geheel van menselijke percepties en oordelen. De pure vormen van gevoeligheid (ruimte en tijd) bepalen of vormen de volledige zintuiglijke ervaring. In tegenstelling tot de vorm noemde Kant de veelheid aan zintuiglijke intuïties die mensen van uiterlijke dingen ontvangen. Er is geen essentiële volgorde voor deze veelheid van zintuiglijke intuïties en daarom is het een reden om ze te ontvangen of te synthetiseren tot een bepaalde vorm van begrip. Kant verdeelde de zuivere vormen van ons begrip in twaalf categorieën, elk drie onder de rubrieken kwantiteit, kwaliteit, modaliteit en relatie.

Recente trends

De Aristotelisch-Thomistische uiteenzetting over vorm en materie bleef misschien tot het einde van de negentiende eeuw achteruitgaan vanwege de empirische, wetenschappelijke, materialistische en humanistische benaderingen die gedurende de periode heersten. Maar je kunt tegelijkertijd zien dat het geleidelijk opnieuw werd gewaardeerd door de opkomst van bewegingen zoals vitalisme, panpsychisme en objectief idealisme en neo-Thomisme. Charles Peirce (1839-1914) en Alfred North Whitehead (1861-1947), die het belang van geest en materie begrepen, vertegenwoordigden objectief idealisme. In de twintigste eeuw ontstonden respectabele neo-Thomistische filosofen zoals Jacques Maritain (1882-1973), Etienne Gilson (1884-1978) en Yves Congar (1904-1995), die de relevantie van hylomorfisme opnieuw introduceerden.

Referenties

  • Aristoteles, De basiswerken van Aristoteles. Ed. Richard McKeon. New York: Random House, 1941.
  • Bacon, Francis. De essays van Francis Bacon. New York: The Peter Pauper Press, 1955.
  • Kant, Immanuel. Kritiek op pure reden. Vertaald door Norman Kemp Smith. New York: St. Martin's Press, 1965. ISBN 0312450109
  • Plato. Verzamelde dialogen. Uitgegeven door Edith Hamilton en Huntington Cairns. Princeton: Princeton University Press, 1961. ISBN 0691097186

Externe links

Alle links opgehaald 19 april 2017.

  • Cohen, S. Marc. Aristoteles over stof, materie en vorm.
  • Cohen, S. Marc. Aristoteles's PDF-bestand metafysica.
  • Cohen, S. Marc. Een overzicht van metafysica Z.
  • Aristotle's Metaphysics, Stanford Encyclopedia of Philosophy.

Algemene filosofiebronnen

Pin
Send
Share
Send