Ik wil alles weten

Victor Cousin

Pin
Send
Share
Send


Victor Cousin (28 november 1792 - 13 januari 1867) was een Franse filosoof, educatieve hervormer en een historicus, wiens systematische eclecticisme hem in zijn tijd tot de bekendste Franse denker maakte. Toen hij van 1828 tot 1831 aan de Sorbonne een lezing gaf, was de zaal druk zoals de zaal van geen enkele filosofische leraar in Parijs sinds de dagen van Pierre Abélard. Cousin's spirituele filosofie inspireerde zijn luisteraars en deed de populariteit van de filosofie in Frankrijk herleven. Hij ontwikkelde een systeem dat overging van psychologie naar ontologie en vervolgens naar de geschiedenis van de filosofie. Neef probeerde de psychologische inzichten van Maine de Biran, het gezond verstand van de Schotse school en het idealisme van Hegel en Schelling te combineren, met het argument dat elk van deze filosofieën een element van waarheid bevat dat kan worden begrepen door intuïtie. Hij geloofde dat uiteindelijk de elementen van waarheid uit elk filosofisch systeem konden worden gecombineerd tot een perfecte filosofie.

In 1840, toen neef minister van openbare instructie in Frankrijk werd, bestudeerde hij het onderwijssysteem van Pruisen en schreef een rapport dat de basis werd voor een wet van primair onderwijs, en werd vertaald en wijd verspreid in de Verenigde Staten. Hij reorganiseerde en centraliseerde het primaire systeem in Frankrijk, introduceerde de studie van filosofie in het curriculum en stelde een beleid van filosofische vrijheid in de universiteiten vast. Zijn werken omvatten Fragmenten filosofieën (1826), Du vrai, du beau et du bien (1836; tr. Lezingen over het ware, het mooie en het goede, 1854), Cours de l'histoire de la philosophie (8 vol., 1815-29), verschillende studies van onderwijssystemen en een briljante vertaling van Plato.

Leven

Vroege leven

Victor Cousin werd geboren op 28 november 1792 in het Quartier Saint-Antoine van Parijs, de zoon van een horlogemaker. Op tienjarige leeftijd werd hij naar de plaatselijke middelbare school gestuurd, het Lycee Karel de Grote, waar hij studeerde tot hij achttien was. Het lycée had een band met de universiteit, en toen neef de middelbare school verliet werd hij in de oude hal van de Sorbonne "gekroond" voor de Latijnse oratie die hij daar afleverde, in het algemene concours van zijn schoolgenoten. De klassieke opleiding van het lycée bracht hem sterk in de literatuur. Hij stond al bekend om zijn kennis van het Grieks. Van het lycée ging hij naar de Normale School van Parijs, waar Pierre Laromiguière vervolgens les gaf over filosofie. In het tweede voorwoord aan Fragmenten filosofieën, waarin hij openhartig de gevarieerde filosofische invloeden op zijn leven vermeldt, spreekt neef over de dankbare emotie opgewonden door de herinnering aan de dag dat hij Laromiguière voor het eerst hoorde. "Die dag besliste mijn hele leven. Laromiguière onderwees de filosofie van John Locke en Étienne Bonnot de Condillac, gelukkig aangepast op sommige punten, met een duidelijkheid en gratie die qua uiterlijk op zijn minst moeilijkheden wegnam, en met een charme van spirituele bonhomie die doordrong en onderworpen."

Vroege invloeden

Neef wilde een lezing geven over filosofie en verkreeg snel de positie van meester van conferenties (maître de conférences) op school. De tweede grote filosofische impuls van zijn leven was de leer van Pierre Paul Royer-Collard. Deze leraar, zegt hij, "door de ernst van zijn logica, de zwaarte en het gewicht van zijn woorden, veranderde me geleidelijk, en niet zonder weerstand, van de gebaande paden van Condillac in de weg die sindsdien zo gemakkelijk is geworden, maar die was toen pijnlijk en niet bezocht, die van de Schotse filosofie. " In 1815-1816 bereikte Cousin de positie van smekeling (assistent) van Royer-Collard in de geschiedenis van de moderne filosofievoorzitter van de faculteit letterkunde. Een andere denker die hem in deze vroege periode beïnvloedde, was Maine de Biran, die neef beschouwde als de ongeëvenaarde psychologische waarnemer van zijn tijd in Frankrijk.

Aan Laromiguière schrijft Neef de les van het ontbinden van gedachten, ook al was de reductie ervan tot gewaarwording onvoldoende. Royer-Collard leerde hem dat zelfs sensatie onderworpen is aan bepaalde interne wetten en principes die het zelf niet verklaart, die superieur zijn aan analyse en het natuurlijke patrimonium van de geest. De Biran maakte een speciale studie van de fenomenen van de wil. Hij leerde Neef om in alle cognities, en vooral in de eenvoudigste feiten van bewustzijn, onderscheid te maken in de vrijwillige activiteit waarin een persoonlijkheid echt wordt onthuld. Het was door deze "drievoudige discipline" dat Cousin's filosofische gedachte voor het eerst werd ontwikkeld. In 1815 begon hij de openbare filosofische leer in de normale school en in de faculteit letterkunde.

Hij ging vervolgens Duits studeren, werkte bij Immanuel Kant en Friedrich Heinrich Jacobi en probeerde het te beheersen Natuurfilosofie van Friedrich Wilhelm Joseph Schelling, die hem aanvankelijk enorm aantrok. De invloed van Schelling is duidelijk in de eerdere vorm van Cousin's filosofie. Hij sympathiseerde met het geloofsbeginsel van Jacobi, maar beschouwde het als willekeurig zolang het niet als gegrond werd erkend. In 1817 ging hij naar Duitsland en ontmoette Georg Hegel in Heidelberg. Hegels Encyclopädie der philosophischen Wissenschaften verscheen hetzelfde jaar, en neef had een van de vroegste exemplaren. Hij vond Hegel niet bijzonder beminnelijk, maar de twee werden vrienden. Het volgende jaar ging Neef naar München, waar hij Schelling voor het eerst ontmoette en een maand met hem en Jacobi doorbracht, om een ​​dieper inzicht in de natuurfilosofie te krijgen.

Politieke problemen

Tijdens de politieke problemen van Frankrijk van 1814-1815 nam neef de royalistische kant in en nam de opvattingen aan van de doctrinaire partij, waarvan Royer-Collard de filosofische leider was. Hij lijkt verder te zijn gegaan en benaderde extreem links. Toen kwam er een reactie tegen het liberalisme, en in 1821-1822 werd neef van zijn functies in de faculteit der letterkunde en op de normale school ontheven. De normale school werd weggevaagd en neef deelde het lot van Guizot, die uit de stoel van de geschiedenis werd geworpen. Deze gedwongen stopzetting van openbare leer was een gemengde zegen; hij vertrok naar Duitsland om zijn filosofische studies te bevorderen. Terwijl hij in Berlijn was, in 1824-1825, werd hij in de gevangenis gegooid, hetzij op een onduidelijke politieke aanklacht op aandringen van de Franse politie, hetzij als gevolg van een discreet gesprek. Na zes maanden vrijgelaten, bleef hij drie jaar onder verdenking van de Franse regering. Dit was de periode waarin hij ontwikkelde wat onderscheidend is in zijn filosofische leer. Zijn eclecticisme, zijn ontologie en zijn filosofie van de geschiedenis werden in principe verklaard en in de meeste van hun meest opvallende details in de Fragmenten filosofieën (Parijs, 1826). Het voorwoord bij de tweede (1833) en de derde editie (1838) was gericht op een rechtvaardiging van zijn principes tegen hedendaagse kritiek. Zelfs het beste van zijn latere boeken, de Ecosaise filosofie, de Du vrai, du beau, et du bien, en de Philosophie de Locke, waren gewoon volwassen revisieslezingen gegeven in de periode van 1815 tot 1820. De lezingen over Locke werden voor het eerst geschetst in 1819 en volledig ontwikkeld in de loop van 1829.

De publicatie van Fragmenten filosofieën (Parijs, 1826) markeerde de eerste uitbreiding van de reputatie van Cousin als filosoof. Het werk versmolten de verschillende filosofische invloeden die zijn mening hadden gevormd. Het werd gevolgd in 1827 door de Cours de l'histoire de la philosophie.

Gedurende de zeven jaar dat hij werd verhinderd te onderwijzen, produceerde hij, naast de fragmenten, de uitgave van de werken van Proclus (6 delen, 1820-1827), en de werken van René Descartes (2 delen, 1826). Hij begon ook met de zijne Vertaling van Plato (13 delen), die zijn vrije tijd bezette van 1825 tot 1840.

Herstel aan de universiteit

In 1828 herinnerde de Vatimesnil, minister van openbare instructie in het ministerie van Martignac, neef en Guizot aan hun professoriële functies aan de universiteit. De drie jaren die volgden waren de periode van Cousins ​​grootste triomf als docent. Zijn terugkeer naar de stoel was een symbool van de triomf van constitutionele ideeën en werd met enthousiasme begroet. De hal van de Sorbonne was druk zoals de hal van geen enkele filosofische leraar in Parijs sinds de dagen van Pierre Abélard. De welsprekendheid van de docent vermengde zich met speculatieve uiteenzetting, en hij bezat een bijzondere kracht van retorische climax. Zijn filosofie toonde de Franse intellectuele neiging om te generaliseren en de logische noodzaak om details te groeperen rond centrale principes.

Er was een morele verheffing in de spirituele filosofie van Cousin die zijn luisteraars inspireerde en een sterkere basis leek te zijn voor de hogere ontwikkeling in de nationale literatuur en kunst, en zelfs in de politiek, dan de traditionele filosofie van Frankrijk. Zijn lezingen brachten meer discipelen voort dan die van enige andere hedendaagse professor in de filosofie. Neef neemt een vooraanstaande plaats in in de rang van professoren van de filosofie, die net als Jacobi, Schelling en Dugald Stewart de gaven van speculatieve, verklarende en fantasierijke kracht verenigden. De populariteit van de filosofie, vooral de geschiedenis ervan, werd nieuw leven ingeblazen in Frankrijk tot een hoogte onbekend sinds de zeventiende eeuw.

Invloed

Onder degenen beïnvloed door neef waren Théodore Simon Jouffroy, Jean Philibert Damiron, Garnier, Jules Barthelemy Saint-Hilaire, Felix Ravaisson-Mollien, Charles de Rémusat, Jules Simon en Adolphe Franck. Neef bleef na zijn terugkeer op de stoel tweeëneenhalf jaar les geven. Sympathiserend met de revolutie van juli, werd hij onmiddellijk door de nieuwe regering erkend als een vriend van nationale vrijheid. Hij schreef in juni 1833 en legde het eclecticisme uit van zowel zijn filosofische als zijn politieke positie:

Ik had het voordeel dat ik zowel de sensationele als de theologische school vele jaren tegen me had kunnen houden. In 1830 daalden beide scholen af ​​in de arena van de politiek. De sensationele school produceerde heel natuurlijk de demagogische partij, en de theologische school werd net zo natuurlijk absolutisme, veilig om van tijd tot tijd het masker van de demagoog te lenen om beter haar doelen te bereiken, omdat het in de filosofie door scepsis is dat het verbindt zich ertoe om de democratie te herstellen. Aan de andere kant was hij die elk exclusief beginsel in de wetenschap bestreed, verplicht om ook elk exclusief beginsel in de staat te verwerpen en de representatieve regering te verdedigen.

De regering eerde hem snel. Het ministerie waarvan zijn vriend Guizot het hoofd was, maakte hem lid van de Raad van Openbare Instructie en Raad van State, en in 1832 werd hij een peer van Frankrijk. Hij hield op met lesgeven, maar behield de titel van professor in de filosofie. Ten slotte aanvaardde hij de functie van minister van openbare instructie in 1840, onder Adolphe Thiers. Hij was directeur van de normale school en virtueel hoofd van de universiteit, en vanaf 1840 lid van het Instituut (Academie voor moraal en politieke wetenschappen). Zijn karakter en zijn officiële positie gaven hem aanzienlijke invloed op de universiteit en de onderwijsarrangementen van Frankrijk. Gedurende de zeventien en een half jaar van het bewind van Louis Philippe was het vooral Neef die de filosofische en zelfs de literaire tendensen van de gecultiveerde klasse in Frankrijk vormde.

Impact op primaire instructie

Het belangrijkste werk dat Cousin in deze periode heeft verricht, was de organisatie van basisonderwijs in Frankrijk. Het was aan zijn inspanningen dat Frankrijk tussen 1830 en 1848 haar vorderingen in het basisonderwijs te danken had. Neef dacht dat Pruisen het beste voorbeeld bood van een georganiseerd systeem van nationaal onderwijs; en in de zomer van 1831, in opdracht van de regering, bezocht hij Frankfort en Saksen en bracht enige tijd in Berlijn door. Het resultaat was een reeks rapporten aan de minister, later gepubliceerd als Rapport sur Vital de l'instruction publique dans quelques pays de l'Allemagne et particulièrement en Prusse (Vergelijk ook De l'instruction publique en Hollande, 1837). Zijn opvattingen werden gemakkelijk aanvaard in Frankrijk, en kort na zijn terugkeer, beïnvloedde hij de passage van een wet van primaire instructie (Exposé des motifs et projet de loi sur I'instruction primaire, présentes a la chambre des deputes, seance du 2 janvier 1837).

In de woorden van de Edinburgh Review (Juli 1833), deze documenten "markeren een tijdperk in de vooruitgang van het nationale onderwijs, en zijn direct bevorderlijk voor resultaten die niet alleen belangrijk zijn voor Frankrijk, maar voor Europa." Het rapport werd in 1834 door mevrouw Sarah Austin in het Engels vertaald en de vertaling werd vaak herdrukt in de Verenigde Staten van Amerika. De wetgevers van New Jersey en Massachusetts verspreidden het op kosten van de overheid in de scholen. Neef merkte op dat, onder alle literaire onderscheidingen die hij had ontvangen, "niemand mij meer heeft geraakt dan de titel van buitenlands lid van het American Institute for Education." Het Franse systeem van basisonderwijs dat was verwaarloosd onder de Franse revolutie, het rijk en de restauratie (Expose, p. 17). In de eerste twee jaar van het bewind van Louis Philippe, vanwege de verlichte opvattingen van de ministeries van François Guizot en Adolphe Thiers en de neef van de organisatie, werd meer gedaan voor de opleiding van de mensen dan in de hele geschiedenis van Frankrijk was bereikt . Neef sprak in 1844 voor de Kamer van Peers, ter verdediging van de vrijheid van de studie van de filosofie aan de universiteit, tegen de klerikale partij enerzijds en de 'nivellerende' of Filistijnse partij aan de andere kant, die beide wilden beperkingen opleggen aan wat zou kunnen worden geleerd. Zijn toespraken bij deze gelegenheid werden gepubliceerd in een traktaat, Défense de l'université et de la philosophie (1844 en 1845).

Schrijfperiode 1830 tot 1848

Neef bracht deze periode van het officiële leven, van 1830 tot 1848, door met het herzien van zijn eerdere lezingen en geschriften, het rijpen ervan voor publicatie of heruitgave, en onderzoek naar bepaalde periodes van de sofische geschiedenis van de filosofie. In 1835 verscheen De la geschriften. Métaphysique d'Aristote, suivi d'un essai de traduction des deux premiers times; in 1836, Cours de philosophie professé à la faculté des lettres pendant l'année 1818, en Œuvres inédites d'Abélard. Deze Cours de philosophie verscheen later, in 1854, als Du vrai, du beau, et du bien. Van 1825 tot 1840 publiceerde Cousin Cours de l'histoire de la philosophie, in 1829, Manuel de l'histoire de la philosophie de Tennemann, vertaald uit het Duits, en in 1840-1841, Cours d'histoire de la philosophie morale au XVIIIe siècle (5 vols.). In 1841 publiceerde hij zijn editie van de Œuvres filosofieën van Maine-de-Biran; in 1842, Leçons de philosophie sur Kant (Eng. Trans. AG Henderson, 1854), en in hetzelfde jaar, Des Pensées de Pascal. De Nouveaux-fragmenten werden verzameld en opnieuw gepubliceerd in 1847. Later, in 1859, publiceerde hij Petri Abaelardi Opera.

Gedurende deze periode lijkt neef terug te zijn gegaan naar de literaire studies, die hij had verlaten onder invloed van Laromiguière en Royer-Collard. Hij schreef studies van opmerkelijke mannen en vrouwen in Frankrijk in de zeventiende eeuw: Des Pensées de Pascal (1842), Audes sur les femmes et la société du XVII siècle (1853), Jacqueline Pascal (1844), Madame de Longueville (1853), de marquise de Sable (1854), de hertogin van Chevreuse (1856), "Madame de Hautefort" (1856).

Het bewind van Louis Philippe kwam tot een einde door de oppositie van zijn ministerie, geleid door Guizot, tegen de eis voor verkiezingshervorming, en door het beleid van bevordering van politieke doelen door huwelijken met leden van de Spaanse koninklijke familie. Neef, die zich op deze punten tegen de regering verzette, verleende zijn sympathie aan Cavaignac en de Voorlopige regering en publiceerde een pamflet, duidelijk antisocialistisch, getiteld Justice et charite, waaruit de matiging van zijn politieke opvattingen bleek. Hij ging bijna volledig uit het openbare leven over en hield op de persoonlijke invloed van de voorgaande jaren te hanteren. Na de staatsgreep van 2 december werd hem zijn positie als permanent lid van de Hoge Raad voor Openbare Instructie ontnomen. Een decreet van 1852 plaatste hem samen met Guizot en Villemain in de rang van ere-professoren. Hij distantieerde zich van Napoleon en het rijk en hij gaf blijkbaar de voorkeur aan een constitutionele monarchie. In 1853 over de politieke kwesties van de spirituele filosofie die hij tijdens zijn leven had geleerd, zegt hij: "Het leidt menselijke samenlevingen naar de ware republiek, die droom van alle vrijgevige zielen, die in onze tijd alleen in Europa kunnen worden gerealiseerd door constitutionele monarchie. "

Dood

Tijdens de laatste jaren van zijn leven, bezet Neef een reeks kamers in de Sorbonne, waar hij eenvoudig en zonder praal leefde. Het belangrijkste kenmerk van de kamers was zijn nobele bibliotheek, de gekoesterde verzameling van je leven. Hij stierf in Cannes op 13 januari 1867, in zijn vijfenzestigste jaar. Voor de Sorbonne, onder de collegezalen van de faculteit brieven, registreert een tablet een uittreksel uit zijn testament, waarin hij zijn nobele en gekoesterde bibliotheek nalaat aan de zalen van zijn professorale werk en triomfen.

Filosofie

Drie onderscheidende elementen

Er zijn drie onderscheidende elementen in de filosofie van Cousin. Zijn filosofie wordt meestal beschreven als eclecticisme, maar het is eclectisch alleen in secundaire en ondergeschikte zin. Het feit dat zijn analyse van bewustzijn door de geschiedenis is bevestigd, geeft aan dat zijn eclecticisme gebaseerd was op een gezond systeem. Neef zag de drie elementen van zijn filosofie, de methode, de resultaten en de filosofie van de geschiedenis, als nauw verbonden en ontwikkelingen in een natuurlijke volgorde van volgorde. In de praktijk worden ze psychologie, ontologie en eclecticisme in de geschiedenis.

Neef benadrukte sterk het belang van de methode in de filosofie. Hij nam de gewone methode van observatie, analyse en inductie over, die hij beschouwde als de methode van de achttiende eeuw: de methode die Descartes begon en verliet, en die Locke en Condillac, hoewel onvolmaakt, toepasten en die Thomas Reid en Kant gebruikten met meer succes. Hij stond erop dat dit de ware methode van filosofie was zoals toegepast op bewustzijn, waarin alleen de feiten van ervaring verschijnen.

Observatie methode

De observatiemethode die op bewustzijn wordt toegepast, geeft ons de wetenschap van de psychologie, die de basis is van ontologie, metafysica en van de filosofie van de geschiedenis. Neef vulde de observatie van bewustzijn aan met inductie, het maken van conclusies over de realiteit die nodig is door de gegevens van bewustzijn, en hun interpretatie met behulp van bepaalde wetten gevonden in bewustzijn, die van de rede. Wat neef psychologisch vond in het individuele bewustzijn, vond hij ook spontaan uitgedrukt in gezond verstand of universele ervaring van de mensheid. Hij beschouwde de classificatie en verklaring van universele overtuigingen en overtuigingen als de functie van filosofie; gezond verstand was gewoon het materiaal waarop de filosofische methode werkte en in harmonie waarmee de resultaten uiteindelijk moeten worden gevonden.

Drie resultaten van psychologische observatie

De drie resultaten van psychologische observatie zijn gevoeligheid, activiteit of vrijheid (wilskracht) en reden. Deze drie zijn verschillend van karakter, maar zijn niet gescheiden in bewustzijn. Sensaties, of de feiten van de gevoeligheid, zijn noodzakelijk. De feiten van de rede zijn ook noodzakelijk, en de rede wordt niet meer beheerst door de wil dan de gevoeligheid. Vrijwillige feiten (feiten van de wil) alleen hebben de kenmerken van onveranderlijkheid en persoonlijkheid. De wil alleen is de persoon of 'ik'. Zonder het 'ik' in het centrum van de intellectuele sfeer is bewustzijn onmogelijk. De wil bevindt zich tussen twee orden van fenomenen, gewaarwordingen en rede-feiten, die er niet bij horen, en die hij alleen kan begrijpen door zich ervan te onderscheiden. Verder houdt de wil vast door middel van een licht dat niet uit zichzelf komt, maar uit de rede. Alle licht komt van de reden, en het is de reden die zowel zichzelf als de gevoeligheid begrijpt die het omhult, en de wil die het verplicht maar niet beperkt. Bewustzijn is dus samengesteld uit deze drie geïntegreerde en onafscheidelijke elementen, maar reden is de onmiddellijke grond van kennis en van bewustzijn zelf.

Leer van de reden

Het onderscheidende principe van Cousin's filosofie ligt in zijn leer van de rede. Door psychologische observatie ontdekt men dat de reden van zijn bewustzijn onpersoonlijk, universeel en van nature noodzakelijk is. Het essentiële punt in de psychologie is de erkenning van universele en noodzakelijke principes in kennis. Het aantal van deze principes, hun opsomming en classificatie, is belangrijk, maar in de eerste plaats moet men erkennen dat ze absoluut en geheel onpersoonlijk zijn. De onpersoonlijkheid of absoluutheid van de voorwaarden van kennis kan worden vastgesteld als men causaliteit en substantie herkent als de twee primaire denkwetten, waaruit alle andere voortvloeien. In de volgorde van de natuur is die van de substantie de eerste en de causaliteit als tweede. In de volgorde van iemands kennisverwerving gaat causaliteit vooraf aan substantie, maar beide zijn gelijktijdig bewustzijn.

Deze twee principes van reden, oorzaak en substantie, psychologisch uitgelegd, stellen ons in staat voorbij de grenzen van het relatieve en subjectieve naar objectieve en absolute realiteit te gaan; overgaan van psychologie, of de wetenschap van kennis, naar ontologie, of de wetenschap van het zijn. Deze wetten zijn onlosmakelijk met het bewustzijn vermengd met de gegevens van wilskracht en gevoel, en ze leiden iemand naar het besef van een persoonlijk wezen, een zelf of een vrije zaak; en een onpersoonlijke realiteit, een 'niet-ik'-natuur, de wereld van geweld, die buiten bewustzijn bestaat en het zelf beïnvloedt.

Deze twee krachten, het 'ik' en het 'niet-ik', zijn wederzijds beperkend. De rede begrijpt deze twee gelijktijdige fenomenen, aandacht en gewaarwording, en leidt ons onmiddellijk tot het bedenken van de twee soorten verschillende absolute, oorzaken waaraan ze gerelateerd zijn. Het begrip van deze beperking maakt het onmogelijk om geen allerhoogste oorzaak te bedenken, absoluut en oneindig, zelf de eerste en laatste oorzaak van alles. Deze oorzaak is zelfvoorzienend en volstaat om de reden. Dit is God; hij moet worden opgevat onder het begrip oorzaak, gerelateerd aan de mensheid en de wereld. Hij is absolute substantie alleen voor zover hij absolute oorzaak is; zijn essentie ligt precies in zijn creatieve kracht. God schept dus uit noodzaak.

Deze doctrine gaf aanleiding tot beschuldigingen van pantheïsme, waartegen Neef tegenstond door erop te wijzen dat hij de wet van natuurlijke fenomenen niet vergoddelijkte en dat de noodzaak waaruit God schiep spontaan en vrij creatief was. Zijn concept van het absolute werd bekritiseerd door Schelling en door Sir W Hamilton in de Edinburgh Review van 1829.

Geschiedenis van de filosofie

Eclecticisme betekent de toepassing van de psychologische methode op de geschiedenis van de filosofie. Het confronteren van de verschillende systemen van sensualisme, idealisme, scepticisme en mystiek, met de feiten van bewustzijn, resulteerde in de conclusie, "dat elk systeem een ​​volgorde van fenomenen en ideeën uitdrukt, die in werkelijkheid heel echt is, maar die niet alleen bewustzijn, en dat tegelijkertijd een bijna exclusieve plaats in het systeem inneemt; vandaar volgt dat elk systeem niet vals maar onvolledig is, en dat we bij het opnieuw verenigen van alle onvolledige systemen een volledige filosofie moeten hebben, passend bij de totaliteit van bewustzijn. " De aldus geperfectioneerde filosofie zou geen loutere verzameling van systemen zijn, maar een integratie van de waarheid in elk systeem nadat het valse of onvolledige is weggegooid.

Nalatenschap

Victor Cousin had de neiging om observerend en generaliserend te zijn in plaats van analytisch en discriminerend, om een ​​schets van zijn principes te maken en deze vervolgens in te vullen met fantasierijke details. Hij liet geen onderscheidend permanent filosofisch principe achter, maar hij liet zeer interessante psychologische analyses achter en bood nieuwe inzichten in filosofische systemen, met name die van Locke en de filosofen van Schotland. Zijn nalatenschap was een doctrine van tolerantie en bevattingsvermogen, die hij door zijn charisma en persoonlijke autoriteit kon opnemen in het educatieve systeem van Frankrijk, waarbij hij er wettelijk voor zorgde dat noch het gezag van de kerk of van een totalitaire staat zou kunnen beperken de kennis die beschikbaar is voor Franse studenten.

Referenties

  • Brouwer, Walter Vance. Victor Cousin als vergelijkende opvoeder. Teachers College Press, 1971.
  • Neef, Victor. oeuvres de M. Victor Cousin: Instructie publique. Boekdeel 1. Adamant Media Corporation, 2001. ISBN 978-1421230535.
  • Neef, Victor. Du vrai, du beau et du bien. Adamant Media Corporation, 2001. ISBN 978-0543964489.
  • Neef, Victor. Verloop van de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte. Vertaald door O.W. Wight. Scholarly Publishing Office, University of Michigan Library, 2005. ISBN 978-1425548865.
  • Høffding, Harald. A History of Modern Philosophy, Volume II. Dover Publications, Inc., 1955.
  • Dit artikel bevat tekst uit de Encyclopædia Britannica Eleventh Edition, een publicatie nu in het publieke domein.

Externe links

Alle links opgehaald op 20 januari 2016.

Algemene filosofiebronnen

Bekijk de video: Les petits champions de la lecture : reportage dans une école (Juni- 2021).

Pin
Send
Share
Send